Vals plat omhoog leven

‘Iedereen in deze stad lijkt ongelukkig,’ zei L. toen we voor het eerst samen in Brussel waren. Op een doordeweekse zomeravond liepen we over de Anspachlaan, een van de drukste straten binnen de ring, die toen net autovrij was verklaard. Op het asfalt waren dieren en bloemen getekend en midden op de weg stonden pingpongtafels onder banners met de tekst ‘Le piéton roi!’ Voetganger koning.
De stad had haar best gedaan, maar gezellig zag het er inderdaad niet uit. Genieten van een picknick leek ons ook best moeilijk op asfalt, tussen overvolle vuilnisbakken en dronken zwervers die peuken raapten uit de jeu-de-boulesbaan. Alle gesprekken werden bovendien overstemd door claxonerende taxichauffeurs die elkaar in paniek hadden klemgereden voor de pas geplaatste plantenbakken.
Alles in deze stad leek schots en scheef op elkaar geplakt en misschien was dat juist wat ik er mooi aan vond. L. en ik, we verschilden hopeloos van mening.

brussel

Drie maanden later ben ik weer in Brussel, dit keer alleen. Een week lang verblijf ik in een van de schrijversresidenties van Passa Porta om aan mijn chapbook te werken, dat zich voor een groot deel in Brussel afspeelt. Iedere ochtend slenter ik van koffiezaak naar koffiezaak en vanaf dag drie begroeten de barista’s en barmeisjes me automatisch met ‘good morning’ in plaats van ‘bonjour’.
’s Middags neem ik de metro naar een willekeurige wijk ver weg van het centrum op zoek naar de hoofdrolspelers van mijn novelle. Kansarme jongens die opgroeien in troosteloze achterbuurten en die zich waar ze ook komen verloren voelen. Jongens die soms paniekerige pogingen doen om gezien te worden en zich vastklampen aan extremen, omdat hen wordt voorgehouden dat rotsvast geloven, zonder misschien precies te weten waarin, automatisch een beloning inhoudt.
Het zijn jongens die ik in mijn dagelijkse leven nooit ontmoet, maar naar wie ik vreselijk nieuwsgierig ben. Ik ontmoet ze overigens ook niet in Brussel, ik vang alleen maar glimpen van ze op door de openstaande deuren van verscholen moskeetjes. Ik zie ze rondhangen op banken in parkjes en slenteren door straten die ik niet in durf te lopen omdat ik me te blank, te vrouw en te bloot voel, ondanks mijn dicht geritste jas. Maar waar en op welk uur van de dag ik ze ook tegenkom, ze lijken allemaal vooral zo ontzettend verveeld.

Terug in het centrum zijn die jongens onzichtbaar. Ze gaan op in een ontzagwekkende mengelmoes van schreeuwerige toeristen, norse diplomaten op te kleine vouwfietsen, donkere vrouwen met felgekleurde omslagdoeken en dronken bedelaars met ieder een eigen portiek. Deze stad puilt aan alle kanten uit. Ze helt over, letterlijk, want wie goed oplet kan zich oriënteren aan de lichte glooiing van het centrum. Of je naar boven of naar beneden loopt doet er overigens niet echt toe: de mensen aan wie je voorbijgaat, zien er allemaal uit alsof ze nooit iets anders hebben gedaan dan vals plat omhoog leven. Brussel is een picknick op asfalt waar iedereen genoegen meeneemt, omdat men vergeten is hoe echt gras eruit ziet, hoe het ruikt. Wat ik daar zo mooi of op zijn minst zo interessant aan vind, zal ik bij thuiskomst met liefde nog een keer proberen uit te leggen.

Advertenties