Een tweede keer kijken

I
In een vorig leven was mijn vader antiekhandelaar. Het is zo lang geleden dat ik foto’s nodig heb om me er iets van te kunnen herinneren. Mijn vader is niet zo heel veel veranderd sinds toen. Ook staan er nog steeds zeventien jugendstil secretaires in onze kelder, stapels gravures naast de droger, Chinese serviezen in het fietsenhok, art-deco lampen in de meterkast. Het verschil is dat er nu geen besnorde mannen met wijnvlekken meer bij ons over de vloer komen om iets van hem te kopen. Mijn vader is een verzamelaar geworden.

Hij mist het soms, zegt hij. Vaak  zegt hij het niet, maar weet ik toch dat het zo is. Dan vraagt hij of ik meega en staan we op zondagochtend zes uur ineens in een aftandse sporthal in Tongeren, Kelmis, of Cadier en Keer. Vanaf een verhoging overzien we de rafelige kleedjes en alles wat erop ligt, de mannen met wijnvlekken die erachter staan en met elkaar onderhandelen. Mijn vader knijpt dan zijn ogen tot spleetjes en scant geconcentreerd de sporthal van links naar rechts. Ineens heeft hij geen bril meer nodig.
Het gaat allemaal om den zweiten Blick, zegt hij.
Een tweede keer kijken, want een jugendstil secretaire dat je maar een keer kan overdonderen, is niet de moeite waard. Hetzelfde geldt voor mensen, voegt hij eraan toe.

II
Gisteren waren we in een club in Berlijn. Zeven meisjes kwamen binnen als één lichaam, er werd naar ons gekeken en daar waren we op berekend. We maakten onze ruggen hol, streken onze shirtjes glad, voelden transparante stof onder onze vingers. Doorkijkgaatjes, waarover we gezamenlijk hadden nagedacht, net genoeg huid om een belofte in te kunnen houden.

In die club in Berlijn, daar zong een vrouw de blues. Ze stond op een verhoging en wij keken naar haar op. Naar haar wiegende heupen, de handen die ze soms op haar borst liet rusten alsof het klauwen waren waarmee ze ieder moment haar ribbenkast open kon breken, om te laten zien.
Ja. Wat eigenlijk.
Hoe verlaten worden eruit ziet van de binnenkant?

Wij wisten niet dat pijn een geluid kon hebben, dat het de gedaante aan kon nemen van een grote, zwarte vrouw in een club in Berlijn. We wilden het liefst zo snel mogelijk onze jassen weer aan.

Nu, amper zes uur later, staan we onder lauwe stralen. We wrijven mascara uit onze ogen, kijken naar de glitters in het doucheputje. We denken terug aan gisteravond en herinneren ons alleen die stem. De zwaartekracht trekt vier horizontale strepen in het vel vlak boven onze navels, vouwlijnen.
We weten: buigen kan maar één kant op. Of in ieder geval maar één kant tegelijk.

III
Voordat mijn vader antiekhandelaar werd, werkte hij kort in de havens van Hamburg. In een slachthuis versneed hij kadavers, voornamelijk koeien, samen met acht hele grote Joegoslaven. Het werk verdiende ongelooflijk goed, mijn vader hield het maar zes maanden vol:
Wie de hele dag tussen bloed en botten werkt is nergens meer bang voor, ook niet voor zichzelf, zegt hij.

De Joegoslaven hadden hakenkruizen op hun kuiten getatoeëerd. Ze droegen vlindermessen in hun onderbroek, dronken cobra-whiskey in stripclubs, smeten met geld naar de meisjes, zochten niet-Joegoslaven om mee te vechten.
Mijn vader ging nooit mee, zegt hij, en hoe ouder ik word hoe beter ik me voor kan stellen dat hij liegt. Hij moet ook ooit iemand geweest zijn, voordat hij mijn vader was.

IV
We staan voor het huis waar ik geboren ben. Het is de laatste dag van onze reis en we eindigen hier, Germanstrasse nummer twaalf. Het huis was ooit de bakkerij van mijn grootouders, maar daar is niets meer van te zien. Onze familienaam op de pui is overgeschilderd in stralend wit, het is nu een internetcafé.
We gaan zitten op de stoep. We drinken onze laatste beetjes water, zwijgen omdat we de afgelopen dagen al zoveel hebben gepraat. Op onze schouders branden rode striemen van de rugzakken die we zo zat zijn. We zijn moe, maar willen niet naar huis.

Binnen stuur ik een email aan mijn vader om hem te vertellen wat er van mijn geboortehuis geworden is. Als ik de mail getypt heb, blijf ik een tijdje kijken naar de knipperende cursor, dan naar de plek waar mijn oma ooit achter een toonbank stond.
Ik denk aan alle handelingen die moeten worden gedaan voordat mijn vader deze email leest:
Het zoeken van zijn bril.
Het zoeken van de laptop.
Het zoeken van het wachtwoord.
Het vragen aan mijn moeder hoe dat ding ook alweer werkt, nadat hij het zelf minstens tien keer vruchteloos heeft geprobeerd. En het ergste is dat deze keten van gebeurtenissen alleen in gang zal worden gezet als ik doe wat ik juist probeer te voorkomen: bellen.
Ik zal hem moeten bellen om hem te zeggen dat ik een email stuurde.

Ik haal de woorden weg en typ alleen het hoogstnoodzakelijke.
Het is misschien niet erg dat het nog lang duurt voordat hij leest dat ik heb gekeken,
goed heb gekeken voor een tweede keer, om te zien dat alles in beweging was.

boekenweek

Deze tekst schreef ik voor het Boekenbal voor Lezers, in het kader van de Boekenweek 2016.

 

Advertenties