Ondercast

Afgelopen maandag was ik te gast in de Wintertuin Talkshow, onderdeel van de Nijmeegse Vierdaagsefeesten. Ik las een verhaal voor over mijn ultieme Zomerfeestenervaring en Dennis Gaens nam het op. Nu is het een van de bijdragen in de nieuwste aflevering van de literaire audiozine Ondercast.
Het verhaal is hieronder terug te lezen en hier te beluisteren.


De trap

‘Heb je de brug aan je rechter of aan je linkerhand?’
We hebben afgesproken, maar kunnen elkaar niet vinden. Ik heb je vier keer gebeld, maar we delen de stad deze week met teveel, het netwerk bij gevolg ook.
‘Bij de trap?’
‘Welke trap?’
‘Die helemaal rechts.’
‘Welke rechts ten opzichte van de brug?’
De zon staat hoog, het is kleverig warm.
‘Ben je er nog? Hallo?’
Geen verbinding. We hopen al de hele dag tegen elkaar dat het wat afkoelt ‘voor de lopers’. Zoiets zeg je vooral graag en vaak als je een niet-loper bent.

Ik wandel het Valkhofpark in, op goed geluk richting de trap aan mijn rechterhand in de hoop dat het dezelfde is als die van jou. De stad gonst, viert al drie dagen onophoudelijk feest en het verwondert me, zoals ieder jaar dat iedereen precies lijkt te weten hoe dit gaat, hoe dit moet.
In het Valkhofpark is het betrekkelijk rustig. Ik loop over het pad dat het park in tweeën splitst en kijk uit over het platgetrapte gras, helemaal rechts in mijn blikveld de brug die er vorig jaar nog niet stond. Een moeder met twee kinderen komt me tegemoet gelopen. Ze heeft de jongste – een meisje, aan de ene hand, een buggy in de andere. Een jongen, niet ouder dan tien, sloft twee passen achter hen.

Muziek van overal overstemt de muziek van hier. Ik ruik eten; een vage mengeling van poffertjes en döner, flarden van gegil uit de Calypso verwaaien richting Waal. Op een meter of tien van mij vandaan, blijft de vrouw plots midden op het pad stilstaan. Zonder aanleiding of waarschuwing laat ze de buggy los. Ze trekt het meisje aan haar hand naar zich toe en omhelst haar, omklemt het kind stevig met haar hele lijf, duwt haar neus in de nek van het meisje, hun haren zijn van dezelfde kleur, ik kan niet onderscheiden welke pluk van wie is. Het meisje trekt een quasi-vies gezicht, slaat tegelijkertijd haar armen om de hals van haar moeder, haar tenen raken nog net de grond. Zo blijven ze staan, midden op het pad, net voorbij de ruïne en voor een kort moment zijn ze het hart van deze stad, het epicentrum van dit feest. Mensen lopen met een boog om hen heen zonder echt te zien wat er gebeurt, ze lachen. Ik kan niet anders dan kijken naar de moeder en het meisje en ik bedenk me:

Dit, is mijn stad.
En mijn stad, voelt ieder jaar precies als deze omhelzing.

De jongen staat al die tijd  naar zijn zusje en moeder te kijken, met een blik die hij vast ooit van zijn vaders gezicht heeft afgekeken. De gretigheid waarmee hij een rol Fruittella vasthoudt, verraadt echter dat hij nog lang geen man is, de vertedering in zijn ogen enkel na-aperij. Hij wil ook. Als zijn moeder ook hem naar zich toe trekt, doet hij zich even schuchter voor, dan geeft ook hij zich over.
Ik moet het drietal passeren, maar wil het niet.
Bij gevolg passeren ze mij, ze gaan op in de stroom en binnen een paar tellen ben ik ze kwijt.

Op de trap sta ik even te wachten, totdat ik zeker weet dat dit niet de goede trap is. Ik weet dat je mij probeert te bellen, maar ik heb geen bereik. Ik blijf hier wachten, mijn telefoon in de hand, de omtrekken van de Waalbrug schitteren op het wateroppervlak.

Advertenties