Theo

Er restte ons niets anders dan elkaar gewoon maar weer een goedemorgen te wensen. Omdat we ons in een drukke woonwijk bevonden mocht de radio niet aan tot half negen, dat was zo besloten na de laatste klacht. Hoe of wie dat besluit genomen had, was ons niet helemaal duidelijk, toch bleef de radio uit.In de keet trokken we onze hesjes aan, sinds een week hadden we nieuwe. Ze waren een tint feller en hadden drukknopen in plaats van een rits. Wij vonden dat er niets mis was met de oude hesjes, die waren steviger geweest en roken niet zo vreemd. Bob had er nog de meeste moeite mee gehad, hij was in alle opzichten de grootste van ons allemaal. Al bij de oude hesjes met rits, stond hij iedere ochtend beschaamd in een hoek van de keet. Met grote moeite trok hij de twee onderste flappen strak om de rits stukje bij beetje omhoog te krijgen. Zolang hij stil bleef staan was er niets aan de hand, maar naarmate de dag vorderde kwam zijn behaarde pens alsmaar verder onder de flappen vandaan. Met de nieuwe hesjes was er al helemaal geen beginnen meer aan. De eerste dag had Bob de drukknopen iedere keer dichtgedaan als ze bij bukken of hurken open sprongen, maar hij verloor zichtbaar de moed. Rond een uur of drie zaten alleen de bovenste twee knopen nog op elkaar gedrukt.

Op wat kleine wisselingen na, werkten we al acht jaar in dezelfde bezetting. Kleine Theo was er als laatste bijgekomen. Het was een stille jongen, met een ringetje in zijn rechteroor zoals wij die allemaal ooit hadden gehad. We maakten graag grappen over Theo en sloegen hem daarbij zo hard op de schouder dat hij ineen kromp. Zo deden we dat bij iedereen, maar Theo sloegen we misschien net iets harder. Na een dag werk keken we hem allemaal na als hij met zijn petje achterstevoren de bouwplaats afliep. Theo was altijd als eerste bij de bus. Ook dat vergaven we hem.

Op een bewolkte woensdag vlak voor de zomer, de werkdag zat er driekwart op, zaten we met de laatste koffiepauze voor de keet. Iedereen behalve Theo, die bestuurde een kleine kraanwagen met sloopkogel en had daar zichtbaar plezier in. Vanaf een afstandje keken we hoe hij geconcentreerd de joystick op en neer bewoog en hoe de rotatie van de sloopkogel in balans bleef. We zagen hoe de gedeukte bal steeds zijn hoogste punt bereikte en een moment stilstond. Hoe er vervolgens een knik in de stalen ketting kwam en de bal naar de grond werd gedwongen. We zagen hoe Theo mikte en de laatste resten van een betonnen muurtje neerhaalde.

We aten onze laatste boterham (zwetende kaas op Casinowit), we rookten (Elixer of Drum) en iedereen dronk koffie toen Frans kuchte op een toon die de aanzet tot een serieuze mededeling verried.
‘Ik heb Theo gisteren gezien,’ zei Frans met zijn zware stem.
Wij waren enigszins teleurgesteld: de ernst van de kuch en de mededeling kwamen niet overeen.
‘Waar?’ vroeg Bob, meer uit gewoonte dan uit interesse.
‘Bij de speeltuin aan het Oranjeplantsoen.’
Wij vroegen ons af of we het ons verkeerd herinnerden, dat Theo geen kinderen had. Voor zover wij wisten had Theo zelfs nog nooit een vriendin gehad. We maakten daar graag grappen over.
Frans haalde adem, leek iets te willen zeggen maar deed dat niet.
Zwijgzaamheid leek ons niets voor Frans, wij kuchten in zijn plaats.
‘Bij de speeltuin aan het Oranjeplantsoen,’ zei hij nog eens, zachter nu, ‘aan de rand, tussen bomen, met een hand in zijn broek.’
Bob liet zijn shaggie vallen op zijn nieuwe hesje, moeizaam slikte Frans zijn laatste hap boterham door. Wij keken lang naar hem voordat we onze blik voorzichtig op Theo richtten, die nog steeds de kraanwagen bestuurde alsof het speelgoed was. Wij zagen Theo voor ons tussen struiken, zijn blik op kinderen die nog één keer van de glijbaan gingen voordat ze door hun moeder naar binnen zouden worden geroepen. Wij zagen de hand die achter het elastiek van zijn onderbroek verdween, gokten op de rechter, wij zagen de beweging, de geconcentreerde blik. Wij probeerden ons voor te stellen dat die Theo dezelfde was als de Theo van de kraanwagen.

Bob was de eerste die zijn mond open durfde te trekken: hoe Frans dat eigenlijk wist en wat hij dan zelf wel precies tussen die bosjes had staan doen? Wij knikten allen instemmend en vonden dat ook bijzonder raar. Frans antwoordde kortaf dat hij zijn hond, hoewel verboden, niet aan de lijn had gehad tijdens het uitlaten. De hond was er vandoor gegaan, de bosjes in en toen had hij Theo gezien, iets verderop, met zijn gezicht naar de speeltuin en die hand in zijn broek.
Dit antwoord overtuigde ons onmiddellijk. Pjotr vroeg resoluut:
‘Heeft Theo jou ook gezien?’ Een cruciale vraag.
Frans pakte zijn koffie op, zette hem weer neer, nam een lange hijs van zijn sigaret en knikte toen van nee.
Aan ons ontsnapte een zucht van verlichting. Goed, Theo deed dingen in zijn vrije tijd waar niemand iets van wilde weten, maar hadden wij allemaal niet zoiets? En goed, Frans had het gezien en doordat hij het ons verteld had, hadden wij het allemaal een beetje gezien, maar iedereen was het er over eens dat niemand dat hoefde uit te spreken, toch. Hij had óns immers niet gezien.
Theo klom uit de kraanwagen en slenterde richting keet. Wij borgen sneller dan normaal onze broodtrommels op en gingen maar weer eens aan het werk.

Die middag kwam de woede pas. Toen we terug thuis uit het busje stapten, Theo naar zijn fiets zagen lopen en niet zeker wisten waar hij heen zou gaan. We wilden hem allemaal met eigen ogen zien daar aan de rand van het Oranjeplantsoen, maar het leek er nooit van te komen. Het ontbrak ons aan moed of we hadden geen hond. We wilden het wel zeker weten, maar niet per se van dichtbij zien. Erover praten deden we niet, maar hoe vaak we elkaar ook goedemorgen of goedenavond wensten, de woede ging nooit helemaal weg. Wat nou als onze Daisy en Diëgo, onze Nathalie? Wat nou als onze Hanneke, Martine en Carolien, onze Dominic? Wat nou als het niet alleen bij kijken bleef?
We mopperden niet meer over hesjes, over het scheefstaande chemisch toilet of over de krakende radio. We vroegen ons alleen maar af waar Theo heen ging, na de werkdag. Wat deed hij als het hesje uitging? Wat deed hij ’s avonds? Hoe zag zijn huis er uit? Wie waren zijn ouders?
We besloten dat het mogelijk was dat Frans zich had vergist. Misschien was het Theo wel helemaal niet geweest en als Theo het wel was geweest, misschien had Frans het dan niet goed gezien, dat met die hand. Na verloop van tijd begonnen we ons af te vragen wie Frans eigenlijk was? Waar ging hij eigenlijk heen na werk? Had Frans überhaupt wel een hond? En wat voor hond was dat dan?
We waren verward, we maakten fouten. Sommigen van ons maakten enkele dagen dankbaar gebruik van de ziektewet voor rug, enkel of knie, de anderen werkten dan zonder morren dubbel zo hard. We keken allemaal uit naar de bouwvak, naar drie weken thuis op de bank, op de camping in Renesse of in de all-inclusive in Turkije.

De dag voor de vakantie kondigde zich aan als iedere andere dag. In de bus richting Zeewolde zaten we stil tegenover elkaar. Het werk was zo goed als af, maar er moest nog zoveel opgeruimd. Eenmaal op de bouwplaats aangekomen, zwegen we ons door de ochtend heen.
Niemand keek op toen er om tien over twaalf achter de keet een politiewagen halt hield. Twee agenten stapten uit, een man en een vrouw, allebei in onberispelijk uniform. Wij sjorden onze broeken op, waren ons plots bewust van de versleten plekken bij de knieën, de vrouw was tot overmaat van ramp ook nog eens heel erg knap.
Wie van ons Theo Niemeijer was?
De man zei het vriendelijk, alsof hij alleen maar de weg kwam vragen.
‘Kleine Theo, bedoelt u?’
‘Theo Niemeijer, ja.’
Wij zwegen, kuchten, schraapten onze kelen, wezen naar de kraanwagen die Theo achterwaarts op een oplegger probeerde te manoeuvreren.
Kalm liepen de agenten zijn richting uit. Theo had ze al gezien en klom naar beneden, de kraanwagen half op de oplegger. Het gesprek was kort, maar wij konden het niet horen. De agenten raakten hem niet aan, Theo liep tussen hen in de bouwplaats af, zijn petje achterstevoren. Wij keken hem na. Hij zwaaide niet eens.

Thuis op de bank, op de camping in Renesse of in de all-inclusive in Turkije bleven wij Theo voor ons zien. De zoon van wie wij geen vader meer wilde zijn. Tijdens de eerste rit na de vakantie verbaasden we ons over de hoeveelheid ruimte die het scheelde, één man minder. Theo kwam niet meer terug werd ons meegedeeld. Hij had ontslag genomen, wij wisten wel beter. Tegelijkertijd konden we er niets aan doen dat Theo’s trekken langzaam begonnen te vervagen. Na de eerste weken wisten we plots niet meer zeker hoe slungelig Theo’s slungeligheid er nou precies uit had gezien. Of hij wel kuiltjes in zijn wangen had bij het lachen en of dat ringetje nu in zijn linker- of in zijn rechteroor zat.  We begonnen bovendien te twijfelen of Frans ons wel had verteld wat we dachten dat hij ons had verteld. We vergaten de details en belangrijker nog: we begonnen te twijfelen of het er wel iets toe deed. Er kwam al gauw een nieuwe jongen, Rick, die reed binnen een week de kraanwagen in de prak. We schreven een brief om te klagen over de hesjes, maar hoorden daar nooit meer iets op terug. Voor Bob was dat nog het ergste.

Advertenties