We zijn opnieuw begonnen

Voor het laatste nummer van VOX schreef ik een verhaal over het jaar 2051. Of beter gezegd: een verhaal over hoe ik denk dat de wereld eruit ziet in 2051. Ik heb goede hoop, geloof ik. Lees het verhaal hieronder, of in de digitale VOX.

vox

Als ik wakker word, zie ik een uitgestrekte steppe die me nog het meest doet denken aan het decorum van The Lion King. De zon is nergens te bekennen en toch heb ik het ondraaglijk heet. Mijn oogleden voelen als verschroeid, mijn spijkerbroek plakt aan mijn dijen.
Liggend op mijn rug, mijn handen onder het zand, besef ik dat ik lichtjaren van huis verwijderd ben. De fysieke omgeving herken ik niet, toch weet ik precies waar ik ben.

We zijn opnieuw begonnen.

Ik haal mijn handen onder het zand vandaan en voel hoe de korrels aan mijn vingertoppen blijven plakken. De zandvlakte is melkwit en lijkt tot in de oneindigheid gelijkmatig te zijn uitgesmeerd, alsof ik ben neergelegd op een gigantisch, ongekreukt A4-tje. Ik voel hoe een druppel zweet zich losmaakt van mijn wenkbrauw en via mijn slaap in mijn oor belandt.
Als ik mijn hoofd 180 graden draai, zie ik ze pas. De anderen. Ze liggen her en der verspreid, zo ver als ik kan kijken. De meesten liggen net als ik op hun rug, het dichtstbij zit een man met een Zuid-Europees uiterlijk beduusd op zijn knieën. De hitte drukt hem zichtbaar neer. Ik probeer me te herinneren wat ik als laatste heb gezien.

We waren met veel. Ik herinner me dat de andere mannen heel dicht op mij stonden en dat ik hun zweet kon ruiken. Ik herinner me ook dat we opkeken toen aan de andere kant van het glas de vrouwen passeerden, overduidelijk minder in aantal en jonger dan wij.
Ik weet nog dat ik dacht: ‘dit is het begin van een nieuwe geschiedenis.’
Ik weet nog dat ik vlak voordat de rij in beweging kwam dacht aan de lancering van onze oude geschiedenis. De beelden van vijf capsules in een cirkel opgesteld, het aftellen, de vuurballen die de capsules naar boven stuwden. De oude geschiedenis werd in terabytes de ruimte ingeschoten, terabytes aan video- en fotomateriaal, tekst, screenshots, geluidsopnames, websites en sms-berichten. Ik weet nog dat de opstijgende capsules, vijf brandende rijstkorrels op een scherm, gek genoeg veel meer indruk op me maakten dan de boekverbrandingen in de maanden daarvoor, het leeghalen van musea, het slopen van paleizen, kathedralen, van alles dat ooit door mensenhanden was gemaakt. Dat was nodig, zei men. Dat offer was noodzakelijk.

De anderen beginnen te bewegen. Grijze zandkorrels verplaatsen zich in zigzaggende lijnen over het witte vlak. De man met het Zuid-Europese uiterlijk staat inmiddels op twee benen en kijkt voorzichtig om zich heen. Een vrouw met rood, krullend haar loopt schuw en langzaam zijn kant op.
Ze zijn naakt. Ik niet.
Ik heb mijn beste colbert aan. Ik voel het aan de ribbels van de stof. Een donkerrode J.Crew, in de uitverkoop, het enige colbert waarvan ik ooit de mouwen heb laten verstellen.

In de rij was ik niet de enige die zich voor de gelegenheid netjes had aangekleed. Ook de andere mannen die de selectie hadden doorstaan, hadden zichtbaar hun best gedaan. Je weet maar nooit waar je terecht komt als de wereld gereset wordt. Je weet nooit hoe belangrijk een eerste indruk is als je teruggaat naar het nulpunt. Maar gingen we wel terug? Gingen we niet juist vooruit?
We moesten alles inleveren. Ik had alleen mijn telefoon en portemonnee op zak en vroeg me af hoe men er zeker van kon zijn dat ik die niet nodig zou hebben daar waar we terecht zouden komen? Had iemand überhaupt een vermoeden van wat er ging gebeuren?
In een nieuwe rij, we moesten zeker twee uur wachten, vertelde de jongen achter me dat ze van plan waren de oerknal na te bootsen. De jongen voor me dacht dat ook wij in capsules de ruimte in zouden worden geschoten.
‘Op hoop van zegen,’ zei hij giechelend, vlak voordat we een nieuwe kamer in werden geleid.

Ze zijn inmiddels met zijn drieën, een donkere man met een litteken over zijn borst heeft zich bij hen gevoegd. Ze staan in een driehoek en bekijken elkaar van top tot teen, maar vermijden oogcontact. Ik probeer mijn armen naar boven te schuiven, mijn ellebogen in het zand te duwen, maar iedere beweging doet pijn, alsof het zand ook tot mijn gewrichten is doorgedrongen.
De drie staan op zo’n dertig meter afstand van mij. Ze lijken zich niet bewust van hun eigen naaktheid of van hun omgeving. Als ze uitgekeken zijn op elkaar, bekijken ze zichzelf. Ze bewegen hun vingers, hun polsen op en neer voor hun eigen ogen, alsof ze niet kunnen geloven dat zij het zelf zijn die die bewegingen mogelijk maken.

En dan zien ze mij.

De jongen zat er met zijn capsule-hypothese nog niet eens zo ver vanaf. In de laatste ruimte werden we allemaal apart in kleine, metalen uitsparingen gezet die nog het meest weghadden van liftschachten. We werden vastgesnoerd, op onze hoofden werden elektroden bevestigd.

Vanaf het moment dat het drietal mij ziet, lijkt de zandvlakte onder mij te trillen. De stille lucht beweegt, drukt me neer, zoals een schip het water in een rivier opzij dwingt. De anderen komen overal vandaan en pas na een paar seconden dringt het besef zich aan me op, dat ik hun doel ben. Dat ik het middelpunt van het A4-tje ben, daar waar de twee vouwlijnen elkaar kruisen.

Ik herinner me dat ik in die laatste momenten voor het zwart, bijzonder kalm was. In de ruimtes naast mij hoorde ik sommige jongens schreeuwen, maar ik was verre van in paniek. Totdat ik het net van elektroden over mijn hoofdhuid voelde bewegen, de draden een voor een voor mijn ogen naar beneden zag vallen. Mijn herinnering stopt op het moment dat ik besefte dat er iets mis was.

Ze naderen. Tientallen, honderden naakte mensenlijven verdringen zich mijn kant op, maar ik heb het zo warm dat bewegen niet meer gaat. Ik hoor ze grommen en snauwen, geluiden diep vanuit hun keel en ik zet me schrap, duw zo goed en zo kwaad als ik kan mijn hakken in het zand.

We zijn opnieuw begonnen en ik ben de enige die weet heeft van onze vorige geschiedenis.

Ergens in de ruimte zweven vijf capsules die bewijzen wat ik me herinner, maar daar heb ik nu natuurlijk niets aan. Ik bedenk me dat ik beter geen donkerrood colbert aan had kunnen doen.

Advertenties